Concerten

Romantisch concert op zaterdag 11 oktober

Op zaterdag 11 oktober 2003 verzorgde het Eindhovens Gemengd Koor "De Roostenzangers" een romantisch concert in de Wintertuin van Dorint Cocagne aan de Vestdijk te Eindhoven. Aan dit concert werkte mee het pianoduo Matty en Paul Huijts. Het geheel stond onder leiding van de dirigent van het koor, Jos Thomassen.

Matty en Paul Huijts

Matty en Paul Huijts, twee broers uit een zeer muzikaal gezin vormen sinds 1993 een pianoduo. Op 1 september 2002 speelden zij op uitdrukkelijk verzoek van het lezerspubliek van het Eindhovens Dagblad tijdens een kamerconcert ter gelegenheid van het 10-jarig jubileum van het Muziekcentrum Frits Philips.

In dit concert begeleidde Matty het koor bij de meeste werken, terwijl zij samen vierhandig de "Liebeslieder" begeleidden. Daarnaast speelden zij vóór de pauze vierhandig Fantasie, Polonaise en Marche militaire van Schubert en na de pauze vier delen uit de Ungarische Tänze van Brahms.

Programma

Werken van Franz Peter Schubert (1797 – 1828)

1.      Psalm 92  Tôw ľhôdos  D.953                                                   koor a capella

2.      Der 23. Psalm ‘Gott ist mein Hirt’ Op. 132 / D.706                      dameskoor met piano

3.      Fantasie     Op. 103 / D940                                                          piano vierhandig

4.      Des Tages Weihe  Op. 146 / D.763                                              koor met piano

5.      Der Gondelfahrer   Op. 28 / D.809                                               mannenkoor met piano

6.      Polonaise Op. 61 nr. 2 / D.824                                                     piano vierhandig

7.      Marche militaire Op. 51 nr. 3 / D 733                                           piano vierhandig

8.      Hirtenchor ‘Hier auf den Fluren’                                                    koor met piano

9.      Jägerchor: ‘Wie lebt sich's so fröhlich’                                           koor met piano

resp. nr.7 en nr.8 uit: Rosamunde D.797

PAUZE

Werken van Johannes Brahms (1833 – 1897)

1.      Zigeunerlieder für vier Singstimmen und Klavier Op. 103               koor met piano

Nr. 1    ‘He, Zigeuner, greife in die Saiten ein’

Nr. 2    ‘Hochgetürmte Rimaflut’

Nr. 5    ‘Brauner Bursche führt zum Tanze’

Nr. 8    ‘Horch, der Wind klagt in den Zweigen’

Nr. 10  ‘Mond verhüllt sein Angesicht’

Nr. 11  ‘Rote Abendwolken ziehn’

2.      Ungarische Tänze für das Pianoforte zu vier Händen                      piano vierhandig

Nr.1     Isteni csárdás                           (salon-csardas)

Nr. 6    Rósza bohor csárdás               (salon-csardas)

Nr.17   Ez az én szeretom …               (‘volks’ lied)

Nr.5     Bärtfay Emlék csárdás             (salon-csardas)

3.      ‘In stiller Nacht’  (Deutsche Volkslieder, WoO 34, nr.8)               koor a capella

Abendständchen  (Weltliche a-capella Gesänge, Op. 42, nr.1)       koor a capella 

4.      Liebeslieder (Aus ‘Polydora’ von Daumer) Op. 52                       koor met piano vierhandig

Walzer für 4 Singstimmen und Klavier zu 4 Händen

Nr. 8    Wenn so lind dein Auge mir

Nr. 9    ‘Am Donaustrande

Nr. 10  ‘O wie sanft die Quelle'

Nr. 11  ‘Nein, es ist nicht aus zu kommen’

Nr. 12  ‘Schlosser auf, und mache Schlösser’

Nr. 13  ‘Vögelein durchrauscht die Luft’

Nr. 14  ‘Sieh, wie ist die Welle klar’

Nr. 15 ‘Nachtigall, sie singt so schön

Nr. 16  ‘Ein dunkeler Schacht ist Liebe’

Programmatoelichting

Werken van Franz Peter Schubert (1797 – 1828)

 Psalm 92 ‘Tôw ľhôdos  D 953                                            koor a capella

De Hebreeuwse tekst van psalm 92, vers 1-9, werd door Franz Schubert in juli 1828 getoonzet voor Salomon Sulzer, cantor van de Weense synagoge. Het werk is geschreven voor baritonsolo (de cantor / gazan), solokwartet en koor. De eerste uitvoering vond nog diezelfde zomer plaats in de synagoge te Wenen.

Een solokwartet en het koor zingen in afwisseling Gods lof. Vervolgens schetsen cantor en koor alternerend het dilemma van de gelovige, die moet toezien hoe goddelozen en boosdoeners gedijen. Maar uiteindelijk zullen zij te gronde worden gericht voor altijd! Volgens de gelovige psalmist, althans. En tot slot klinkt de overtuiging, dat God voor eeuwig boven alles zal tronen, in een verkorte herhaling van het eveneens optimistische eerste deel. Schubert heeft het joodse psalmzingen uitstekend weten te treffen in de kenmerkende ‘in elkaar grijpende’ imitaties van cantor en koor, met voor joodse psalmodie karakteristieke melodische uitgangen. Tegelijkertijd heeft hij het centrale dilemma dramatisch weten te illustreren met typisch Schubertiaanse harmonieën.

 Der 23. Psalm            Gott ist mein Hirt’ Op. 132 / D 706                        dameskoor met piano

Deze zetting van psalm 23, in het Duits vertaald door Moses Mendelssohn, werd geschreven voor een groep leerlingen van Anna Fröhlich, zangpedagoge aan het Weense conservatorium. Deze leerlingen brachten het lied ten gehore op 9 juni 1822 bij Ludwig von Sonnleithner , tijdens een ‘Abendunterhaltung’ van de Weense ‘Gesellschaft der Musikfreunde’ op donderdagavond. De melodische schoonheid, de rijke harmonie met overrompelende modulaties en de ‘etherische’ pianobegeleiding geven het lied iets verhevens.

 Fantasie         Op. 103 / D 940                                             piano vierhandig

Geen componist heeft ooit met zoveel liefde gecomponeerd voor vierhandig piano dan Franz Schubert. Een aantal van zijn composities behoort tot de mooiste muziek die geschreven is voor dit medium, dat doorgaans meer geschikt wordt geacht voor musiceren in huiselijke kring dan voor de concertzaal. De Fantasia in f  is een van de belangrijkste werken van Schubert voor piano à quatre mains. Het werk is voltooid in april van zijn laatste en ondanks ziekte zeer productieve jaar 1828 en is opgedragen aan gravin Karoline Esterházy (toen gravin van Creneville) als aandenken aan de gelukkige dagen in het slot te Zseliz in 1824. Het werd na zijn dood uitgegeven bij Diabelli in Wenen (maart 1829).

In een aaneengesloten compositie wordt een synthese nagestreefd van de vier delen van de sonate-hoofdvorm (expositie, doorwerking, recapitulatie en coda) versmolten met de vier delen van de symfonie: allegro, langzaam deel, scherzo en finale. Het ‘Allegro molto moderato’ opent met een elegisch thema gevolgd door een meer assertief idee. Dan volgt het ‘Largo’; een recitatief vormt de inleiding op een liefdesverklaring van Italiaanse melodische gratie. Na het ‘Scherzo’ keert het openingsthema terug ‘Tempo I’ als inzet van de finale. Deze bereikt zijn hoogtepunt wanneer het assertief thema wordt uitgebreid tot een krachtig fugato, leidend tot het hartverscheurende slot. Dit werk blijft één van Schubert’s meest pathetische uitingen; weemoedige reminiscenties aan mooie, liefdevolle tijden, gemengd met een vage doodsverwachting worden opgeroepen met aangrijpende emotionele kracht.

 Des Tages Weihe      Op. 146 / D 763                                 koor met piano

De subtitel van dit werk is ‘Hymne zur Namens- oder Geburtsfeier’. Baronesse Geymüller wilde deze tekst (van een onbekende dichter) laten toonzetten om te vieren dat een vriend zijn gezondheid herwonnen had. Via zangpedagoge Anna Fröhlich werd Schubert benaderd. Kennelijk beantwoordde het resultaat aan de verwachtingen: de dankbare baronesse schonk de componist 50 Gulden voor dit koorwerk.

 Der Gondelfahrer      Op. 28 / D 809                                   mannenkoor met piano

De tekst van Johann Mayrhofer schildert een nacht op de kanalen in Venetië. In de opgewekte begeleiding klinkt de roeislag van de gondelier en in de melodie wordt de schommelbeweging van de boot gesuggereerd; dit wordt slechts kort onderbroken door klokkenklanken als het middernachtelijk uur slaat over de lagune. Subtiel wordt aangeduid hoe de geliefden, slechts onder het wakend oog van de schipper, van hun remmingen losgeschommeld worden.  Dit schijnbaar eenvoudige lied was bestemd voor de Abendunterhaltung op 17 november 1825 bij Ludwig von Sonnleithner.

 Polonaise Op. 61 nr. 2 / D 824                                 piano vierhandig

Ontstaan in de zomer van 1824 in het slot te Zseliz, niet voor dansen bestemd maar voor gezellig musiceren. Schubert’s polonaises zijn gecomponeerd in samengesteld driedelige vorm; het Trio-deel staat vaak in terts- of kwintverwantschap tot de hoofdtoonsoort (hier: F Des F). Robert Schumann schreef in zijn dagboek op 19 augustus 1828: “Polonaisen von Schubert – lauter aufbrechende Gewitterstürme mit romantischen Regenbogen über feierlich-schlummernden Welten.”

 Marche militaire Op. 51 nr. 3 / D 733                     piano vierhandig

Evenals de polonaises zijn ook de marsen bedoeld voor huiselijk musiceren en gezellige samenkomsten in vriendenkring. Ze zijn overeenkomstig van vorm. Volgens Josef von Spaun heeft Schubert ze gecomponeerd tijdens zijn tijd als muziekleraar bij de familie Esterházy in Zseliz (1818 of 1824).

Hirtenchor ‘Hier auf den Fluren                            koor met piano

Jägerchor: ‘Wie lebt sich's so fröhlich                  koor met piano

resp. nr.7 en nr.8 uit: Rosamunde D 797

[Wil]Helmina von Chézy, afkomstig uit Dresden, had het libretto geschreven voor Weber’s Euryanthe en kwam in 1823 voor de première van dit stuk naar Wenen. De kring rond Schubert, die hem in zijn theaterambities wilden steunen, vonden deze dame bereid een toneelstuk met gelegenheid tot muzikale intermezzi te schrijven. De eerste uitvoering van ‘Rosamunde von Cypern’ in het Theater an der Wien was redelijk succesvol, doch na de tweede uitvoering werd het stuk van het programma afgevoerd: de mix van ridder-, herders- en jagersromantiek sloeg niet aan, ondanks de gunstige perskritiek. Schubert’s Zwischenakt-musiken en koren mogen zich echter in een blijvende populariteit verheugen.

Na de lieflijke reidans van de herders en herderinnen op de weide volgt een jacht van een eveneens gemengd gezelschap, jagers en jagerinnen. Het is duidelijk dat de jacht op de buit ‘die reizend uns wacht’ opgevat moet worden als metafoor.

 PAUZE

Werken van Johannes Brahms (1833 – 1897)

 Selectie uit: Zigeunerlieder für vier Singstimmen und Klavier     Op. 103

De ‘Zigeunerlieder’ van Johannes Brahms ontstonden in de winter van 1887/1888 en verschenen in oktober 1888 in druk. De liedteksten ontleende Brahms aan de uitgave van 25 Ungarische Liebeslieder door Hugo Conrat; deze had de volkse liederen geleerd van de  Hongaarse oppas voor zijn kinderen en had er een vrije vertaling van gemaakt. Omdat deze vertaling niet goed spoorde met de oorspronkelijke melodieën componeerde Brahms geheel nieuwe melodieën, waarbij hij slechts sporadisch oorspronkelijke fragmenten gebruikte. Daarbij paste hij weloverwogen ‘hongarismen’ toe, zoals het karakteristieke csardasritme en de cimbalom-imitaties in de pianobegeleiding.

Aan de cyclus ligt geen expliciete handeling ten grondslag, maar de aaneenschakeling van uitgebeelde taferelen en gevoelens suggereert een gebeuren dat aangekondigd wordt in de oproep aan de zigeunerviolist om het ‘Lied vom ungetreuen Mägdelein’ te spelen. Hoogtepunt is de opbloeiende liefde in de dansscène van nr.5 (‘Brauner Bursche führt zum Tanze’); daarna volgen steeds somberder wordende gemoedstoestanden als gevolg van bedrogen en in de steek gelaten worden, geschilderd in dalende toonsoorten, waarbij uiteindelijk niets over blijft dan vol verlangen te dromen over de verloren geliefde.

 Selectie uit: Ungarische Tänze für das Pianoforte zu vier Händen

Heft I- II werden in 1869 uitgegeven bij Simrock, Berlijn; Heft III-IV in1880. Van de in totaal 21 dansen maakte hij nog een orkestbewerking en een versie voor pianosolo. De door Brahms geciteerde melodieën waren populaire Hongaarse dansen in de periode dat hij zich met zijn Hongaarse dansen bezig hield (eind 1850 tot 1880). Ze variëren van tot op de dag van vandaag bewaard gebleven volksliederen tot volkse salonmuziek van rondreizende zigeuners, beantwoordend aan de smaak van de burgerij in die dagen. Brahms raakte opgetogen over de zigeunermelodieën die hij gespeeld hoorde door de violist Ede Reményi. Hij verzamelde Hongaars lied- en dansmateriaal en werd door gedrukte of mondeling overgeleverde melodieën geïnspireerd. De romantische misvatting dat het authentieke Hongaarse volksmuziek betrof verhoogde zijn respect ervoor. Brahms zelf zag zijn dansen als arrangementen. Doch, ook al was hij niet de componist van de basismelodieën, door de vorm en de intensificatie die Brahms op het materiaal heeft gelegd zijn ze te beschouwen als échte composities. Hij wist de traditionele, gepassioneerde uitvoeringsstijl van de zigeunerviolisten op te roepen.

Nr.1     Allegro molto. Gebaseerd op ‘Isteni csárdás / hattyú hangok’ gecomponeerd door ‘veldkapelmeester’ Miska Borzó (vrijheidsstrijder van 1848). Zijn werk werd door Ottó Petényi naar het spel van de beroemde zigeunerprimas Ferenc Sárközy (1820-1897) voor piano bewerkt en uitgegeven te Pest in 1859. Deze csardas hoort niet tot de echte dorpse volkstraditie; in de stad zijn varianten ervan nog heden populair.

Nr.6     Het Vivace-hoofddeel is eveneens een saloncsárdás ‘Rósza bohor csárdás’ uitgegeven door Adolf Nittinger in 1864. Zeer populair in Brahms’ tijd en in verschillende uitgaven gedrukt.

Nr.17   Het ‘Vivace non troppo’ deel is in feite het lied ‘Ez az én szeretom ez a piczibarna’ een van de populairste liederen in volksliedstijl van Kálmán Simonffy (1854); Brahms kende vermoedelijk de pianobewerking door Miklós Konkoly Thege (1860). Het tweede deel (Meno presto) is gebaseerd op een algemeen verbreid lied in volksliedstijl, bewerkt voor piano door Jószef Szerdahelyi (rond 1844).

Nr. 5 Het hoofddeel is gebaseerd op de ‘Bártfay Emlék Csárdás’, mogelijk van Ede Reményi en gezet door Béla Kéler; veel door zigeunerorkesten in de steden gespeeld. Het vivace-middendeel is een volkslied uit de verzameling van 50 volksliederen door Ignác Bognár uitgegeven te Pest in 1858.

‘In stiller Nacht’  (uit Deutsche Volkslieder, WoO 34, nr.8          koor a capella

Brahms wordt terecht gezien als meester van het hoogromantische lied en vervolmaker van de romantische koormuziek. De tekst van ‘In stiller Nacht’ is ontleend aan een gedicht voor de passietijd van Friedrich von Spee (1591-1635). Brahms heeft de strofen 1 en 14-15 van dit gedicht omgewerkt tot een lied van 2 strofen. De eerste helft van de melodie ontleende Brahms aan twee overeenkomstige katholieke kerkliederen; de tweede helft van de melodie werd door Brahms aangevuld. Zo ontstond met geniale hand een werk met schijnbaar eenvoudig volksliedkarakter, waarin een weemoedige avondstemming geschilderd wordt.

Abendständchen (uit Weltliche a-capella Gesänge, Op. 42, nr.1)           koor a capella

Selectie uit:    Liebeslieder (AusPolydoravon Daumer)            Op. 52

Walzer für 4 Singstimmen und Klavier zu 4 Händen

Gedurende de jaren 1860 en volgende publiceerde Brahms drie groepen van dansen: de 16 walsen, de eerste 10 Hongaarse dansen en de 18 Liebeslieder Walzer Op.52. Deze werken in bewust gekozen ‘populaire’stijl droegen belangrijk bij aan het vestigen van zijn naam bij het brede muziekminnende publiek. De eerste cyclus Liebeslieder werd voltooid in augustus 1869 te Baden-Baden; hoewel Brahms waarschijnlijk in 1868 of eerder eraan begonnen is, werkte hij er voornamelijk aan vanaf mei 1869. De eerste uitvoering vond plaats op 5 januari 1870 te Wenen door een solokwartet met Brahms en Clara Schumann aan de piano. Brahms zelf twijfelde lang over de optimale vocale bezetting tussen solokwartet, kleinkoor en koor. Dit geeft aan dat elk van deze bezettingen verantwoord is, mits er voor de nodige transparantie gezorgd wordt.

De Liebeslieder-Walzer zijn oorspronkelijk echt bedoeld om gezongen te worden. De verschillende latere versies (vierhandig piano zonder zang, orkest met zang) ontstonden op verzoek van de uitgever of van vrienden. Voor het overige kan deze ‘dansmuziek’ inderdaad gezien worden als voortzetting van de traditie van Schubert’s Ländler en Walzer. (Brahms schrijft in een brief aan zijn vriend Ernst Rudorff over het tempo van de walsen dat het ‘eigentlich das des Ländlers ist: mäßig.’) Door toevoeging van vier zangstemmen aan de piano à quatre mains vergrootte Brahms zijn mogelijkheid tot kleuring en toevoeging van contrapuntische details. Hij bracht een grote structuur in de cyclus aan en paste zorgvuldig gekozen variatie toe bij het inzetten van de zangstemmen. In nr. 9 ‘Am Donaustrande’ herkennen velen een bedekt eerbetoon aan Johann Strauß (toen pas nieuwe) ‘An der schönen blauen Donau’, de wals waarvan Brahms openlijk betreurde hem niet gecomponeerd te hebben.

De teksten zijn ontleend aan ‘Polydora, ein weltpoetisches Liederbuch’ (1855), een verzameling meest Oost-Europese liederen, vertaald en uitgegeven door Georg Friedrich Daumer (1800-1875). Van de door Brahms gebruikte teksten is nr.8 pools, nr.9 Hongaars, nr.10 Russisch-Pools, nr.11 Pools; nr.12 t/m 15 zijn Russisch-Poolse dansliederen en nr.16 is Hongaars. De verschillende teksten werden door Brahms in een onderling verband geplaatst, die het verloop van een liefde suggereert, gelardeerd met symboliek van al dan niet gekooide vogels, sloten die verbroken worden om de geliefde te bereiken of juist geplaatst worden op kwade monden om het geklets en geroddel te stoppen. Het begint met: “Als jij mij met je ogen zo gevoelig aankijkt vergeet ik de grauwe wereld om mij heen; nooit zal een ander jou zo liefhebben als ik!” Hoe mooi is het, als twee geliefden elkaar vinden. Immers, “zoals een vogel een rustplaats zoekt op een tak, zo verlangt mijn hart een hart om voor altijd tot rust te komen.” De liefde wordt beleefd bij maanlicht, weerspiegeld in water, terwijl de nachtegaal zingt en de sterren stralen: “Heb mij lief zoals ik jou liefheb en kus mij in het donker.” Echter, de liefde blijkt een valkuil. Voor diegene, die erin gevangen zit blijft niets over dan steunen van verdriet en terugdenken aan de momenten van gelukzaligheid.

Terug naar overzicht concerten