Concerten

De Roostenzangers zingen Requiem en Vespers van Mozart

Op zondag 6 november voert het Eindhovens Gemengd Koor ‘De Roostenzangers’ het Requiem KV 626 en de Vesperae solennes de Confessore KV 339 van W.A. Mozart uit. Het concert heeft plaats in de Eindhoven Airportzaal van het Muziekgebouw Frits Philips in Eindhoven en begint om 14.30 uur (half drie). De toegangsprijs bedraagt € 15,--.

Het koor wordt begeleid door een instrumentaal ensemble o.l.v. Ruth Walpot, en de vaste begeleider van het koor, Rob van Heck, aan het orgel. De solisten zijn: Caroline Spanjaard (sopraan), Lisinka de Vries (alt), Maarten van den Hoven (tenor) en Wim Ritzerfeld (bas). Het geheel staat onder leiding van Jos Thomassen, de vaste dirigent van ‘De Roostenzangers’.

Een spiritueel Mozart-concert

De Roostenzangers willen het Requiem van Mozart uitvoeren op een moment in het jaar, waarop deze ‘mis voor de overledenen’ betekenis heeft. Het voorafgaande programma is ook op deze periode afgestemd. De Kelten en Germanen vierden het begin van de winter (tevens het begin van hun nieuwe jaar) op 1 november in onze kalender. Volgens de oude mythen kwamen in de voorafgaande nacht de geestenwereld en het domein van het materiële bestaan dicht bij elkaar, zodat contact tussen beide dan mogelijk zou zijn. De kerk van Rome zocht aansluiting bij dit volksgeloof en veranderde de gedenkdag van alle martelaren (13 mei) in het feest van Allerheiligen (1 november). Een dag later volgde de gedenking van alle overledenen die nog niet in de hemel opgenomen zijn (Allerzielen). Middels gebed en het opdragen van dodenmissen moest de verlossing uit het vagevuur bevorderd worden. In dit concert worden beide feesten verenigd: een avondgebed ter gedachtenis van een heilige (Vesperae solennes de Confessore) gevolgd door een dodenmis ter afsmeking van de eeuwige rust voor de ziel van een overledene (Requiem). De muziek die Mozart hiervoor schreef weet de magische brug te slaan tussen de zintuiglijke, stoffelijke kant van het leven en het diepere, geestelijke wezen van het bestaan. Het spirituele aspect verleent deze prachtige muziek extra kracht: ieder die zich in Mozart’s Requiem verdiept wordt erdoor opgetild.

Kaartverkoop

Kaarten ad € 15,-- zijn online te bestellen via www.muziekgebouweindhoven.nl of bij het Ticketbureau, Heuvelgalerie 140, Eindhoven, tel. 040-244 20 20. In het laatste geval wordt € 1,-- aan servicekosten in rekening gebracht. In de prijs van € 15,-- is een bedrag van € 2,50 begrepen voor een pauzedrankje (verplicht).

Programma

Vesperae solennes de Confessore KV 339
  1. Dixit Dominus (Psalm 109) (soli en koor)
  2. Confitebor (Psalm 110) (soli en koor)
  3. Beatus vir (Psalm 111) (soli en koor)
  4. Laudate pueri (Psalm 112) (koor)
  5. Laudate Dominum (Psalm 116) (sopraansolo en koor)
  6. Magnificat (soli en koor)

Duur: ca. 30 minuten

Requiem KV 626
  1. Requiem, Kyrie (sopraansolo en koor)
  2. Dies irae (koor)
  3. Tuba mirum (soli)
  4. Rex tremendae (koor)
  5. Recordare (soli)
  6. Confutatis (koor)
  7. Lacrymosa (koor)
  8. Domine Jesu (soli en koor)
  9. Hostias (koor)
  10. Sanctus (koor)
  11. Benedictus (soli en koor)
  12. Agnus Dei, Lux aeterna (sopraansolo en koor)

Duur: ca. 60 minuten

Toelichting op het programma

Vesperae solennes de Confessore KV 339

Het Latijnse woord vespera betekent ‘avond’. Met het meervoud vesperae (vespers) wordt het avondgebed aangeduid van de Rooms-katholieke en Oosters-orthodoxe kerken; dit wordt gebeden in de late namiddag. Het is een onderdeel van de getijden, het rooster voor de dagelijkse gebeden, zoals dat vanaf Benedictus (omstreeks 530) voor het kloosterleven is vastgelegd. Al in voorchristelijke tijd gold voor joden de plicht om driemaal daags te bidden: in de avond, morgen en namiddag. Door de vroegchristelijke kloosterlingen werd dit uitgebreid tot acht tijdstippen; aansluitend aan het gebed bij zonsopgang werd de dagelijkse mis opgedragen. Van de gewone gelovigen werd verwacht dat zij op zondagen en feestdagen zowel de mis als het avondgebed vierden. De ‘Romeinse’ vespers buiten kloosterverband hadden een eigen vorm. De kern daarvan is het zingen van de vijf psalmen die horen bij de desbetreffende zondag of feestdag.

De titel Confessor betekent ‘belijder’: iemand die op bijzondere wijze van het christelijk geloof getuigd heeft, maar er niet voor gedood is; een belijder is een heilige die geen martelaar is. Extra belangrijk waren de feestdagen voor belijders vanaf de rang van bisschop (= Pontifex: ‘hij die een brug slaat tussen de mens en God’); de plechtige vespers (vesperae solennes) werden in Mozart’s tijd opgeluisterd met een grotere orkestbezetting.

Mozart wilde kerkmuziek schrijven die breed toepasbaar was. Zijn verklanking van de vijf psalmen van het avondgebed voor een belijder (de Confessore) was bruikbaar voor een groot aantal gelegenheden; behalve op de feestdag van een ‘Confessore non Pontifice’ ook op de vooravond van het feest van iedere belijder, Kerstmis, Pinksteren en Drievuldigheid en op de feestdag zelf van Driekoningen en Hemelvaart. De vespercompositie voor een belijder moest de psalmen 109 t/m 112, psalm 116 en het Magnificat, de lofzang van Maria ontleend aan Lucas 1:46-55 omvatten.

Al sinds vroegchristelijke tijden werd aan elke psalm en aan het Magnificat een tweeregelig vers toegevoegd waarin bezongen wordt dat Gods heerlijkheid eeuwig duren zal. Deze lofzegging (doxologie) lijkt typisch christelijk, aangezien tevens de leerstelling van de Drievuldigheid benadrukt wordt. Echter: ook in de Joodse tempel werden gebeden al afgesloten met een dergelijke lofzegging, naderhand in de synagoge kwam daar het ‘Amen’ bij.

Mozart grijpt bij de verklanking van de doxologie steevast terug naar het begin van de psalm; door deze muzikale ‘omhelzing’ wordt een fraaie afronding van de delen verkregen. De lange teksten geven weinig ruimte voor structuur via tekstherhalingen. Mozart zet de wisselende gevoelswaarden van de tekst om in een aaneenschakeling van woord-klankbeelden, waarbij de orkestrale lijn een bindende en voortstuwende factor vormt. Het karakter is feestelijk, overeenkomstig de tekst: psalm 109 t/m 112 horen tot de Hallel-psalmen (jubelpsalmen). Daarin weet Mozart toch het nodige contrast aan te brengen. Na het vrolijke ‘Dixit Dominus’ volgt een meer plechtstatig ‘Confitebor’ (Es groot) en een boeiend ‘Beatus vir’ in driedelige maat met vloeiende melodische lijnen en polyfone passages. Het vierde deel ‘Laudate pueri’ is (conform de traditie) in een strenge vorm (fuga in d klein). Het beroemde ‘Laudate Dominum’ (psalm 116) voor sopraansolo en ingetogen koor is een gebed van grote lyrische schoonheid. Het ‘Magnificat’ opent met typische ouverture, gevolgd door een uitbundig en meeslepend allegro als pakkend slot van de compositie.

Deze vesperverklanking vormde tevens de afsluiting van Mozart's kerkelijke dienstverband in Salzburg, dat niet paste in zijn ambities. Eerder, in 1777, had hij al eens ontslag genomen bij Aartsbisschop Sigismund von Schrattenbach om op reis te gaan naar Mannheim en Parijs voor een tweede bezoek. Deze 16 maanden durende reis bracht hem weinig geluk. Hij vond geen vaste baan of honorering, zijn moeder overleed in Parijs en hij werd afgewezen door de zangeres Aloysia Weber. Halverwege januari 1779 keerde hij terug in Salzburg en had geen andere keus dan terug in dienst te gaan als Hoforganist en Domorganist, nu bij de opvolger Aartsbisschop Hieronymus Colloredo. In november 1780, niet lang nadat hij de vespers de Confessore had afgeleverd, kwam er weer een einde aan deze betrekking door een knallende woordenwisseling met bisschop Colloredo. De vespers vormen zodoende de afsluiting van een korte periode met een hoge productie van kwalitatitief hoogstaande kerkmuziek, zoals bijv. de Missa Solemnis in C en de Krönungsmesse.

Requiem KV 626

Het ontstaan van Mozart's laatste compositie is met raadsels omgeven. De verwikkelingen rond de anonieme opdrachtgever en Mozart's ontijdige, doch voorvoelde dood leidden meteen tot legendevorming. Mozart stierf op 5 december 1791, voordat hij zijn Requiem had voltooid. Vaststaat dat hij het Introitus (‘Requiem’) met Kyrie, vrijwel het hele Dies Irae en het Offertorium (Domine Jesu Christe en Hostias) gecomponeerd had en tot het laatst aan het Requiem werkte, onder de verzuchting: “wenn ich nur noch so lange am Leben bleibe; denn dies muß mein Meisterwerk und mein Schwanengesang seyn”. Als hij zich zwak voelde, riep hij zijn leerling Franz Xaver Süßmayr te hulp. Deze was de laatste jaren Mozart's assistent: hij schreef kopieën van muziekpartijen uit en hielp bij het uitwerken van kladversies. Mozart legde hem uit hoe zijn ideeën nader uitgewerkt moesten worden en leerde hem de principes van zijn instrumentering. Voltooide delen werden doorgespeeld en doorgezongen samen met Mozart en zijn vrouw Constanze. De voltooiing van het Requiem werd uiteindelijk toevertrouwd aan Süßmayr. Deze claimde in een brief aan de uitgever Breitkopf & Härtel: “Das Sanctus – Benedictus – und Agnus Dei – ist ganz neu von mir verfertigt; nur habe ich mir erlaubt, um dem Werke mehr Einförmigkeit zu geben, die Fuge des Kyrie, bei dem Verse – cum Sanctis etc. zu wiederhohlen.” De musicus Abbé Maximilian Stadler, die als goede vriend betrokken was  bij de inventarisatie van Mozart's nalatenschap, schreef: “Von Süßmayr ist im Lacrymosa der letzte Vers: ‘Huic parce Deus’ dann das Sanctus, das Benedictus und das Agnus Dei, componirt. Ob aber Süßmayr dazu einige Mozartische Ideen benutzt habe, oder nicht, kann nicht erwiesen werden. Die Witwe sagte mir, es hätten sich auf Mozart’s Schreibpulte einige wenige Zettelchen mit Musik vorgefunden, die sie Herrn Süßmayr übergeben habe.” Mozart's weduwe hield in een brief aan Stadler de mogelijkheid open dat de kladjes, die ze aan Süßmayr had gegeven, schetsen geweest waren voor de resterende delen van het Requiem. Er bestaat dus een gerede kans dat de Süßmayr-aanvulling een groot Mozart-aandeel bevat. Gevoegd bij het feit dat Süßmayr zeer vertrouwd was met Mozart's werkwijze en bedoelingen lijkt de keuze voor uitvoering van de traditionele Süßmayr-versie gerechtvaardigd.

Constanze vertelde ook dat Mozart zich met hart en ziel aan de opdracht gewijd had, omdat het zijn lievelingsvak was: “… da der höheren pathetischen Stil der Kirchenmusik immer sehr nach seinem Genie war.” Hij had Händel gekozen als zijn grote voorbeeld op het gebied van de vocale geestelijke muziek. Ook had hij een uitgebreide studie gemaakt van J.S. Bachs contrapuntiek en de principes van de muzikale retorica. Het Requiem van Johann Michael Haydn had op de jonge Mozart grote indruk gemaakt en diende als model voor zijn eigen compositie. Daarin gebruikte hij materiaal dat door generaties componisten doorgegeven was. Het Introitus ‘Requiem’ baseerde hij op het openingskoor van Händel's ‘Funeral Anthem for Queen Caroline’ (1737), waarin weer het Lutherse koraal ‘Wenn mein Stündlein vorhanden ist’ was verwerkt. De melodie van ‘Te decet hymnus’ ontleende hij vervolgens aan het gregoriaans.  Het materiaal van de Kyrie-fuga vond hij in het slotkoor van Händel's ‘Dettingen Anthem’ (1743). Mozart combineerde alle thematische materiaal uit soms zeer verscheiden bron op geheel eigen wijze en smeedde het tot een meesterwerk. In Mozart's Requiem is een rijke traditie geculmineerd tot een subliem hoogtepunt van religieuze muziek.

(Pagina laatst bijgewerkt op 23 oktober 2011)

Terug naar overzicht concerten